Over het inkomen uit vermogen, zoals huurinkomsten, wordt in 2025 36% belasting geheven als het vermogen na aftrek van schulden hoger is dan € 57.684.
Voor vastgoed, dat onder de categorie ‘overige bezittingen’ valt, wordt in 2025 met een forfaitair rendement van 5,88% gerekend.
Over dat rendement betaalt men het tarief van 36%.
Het kabinet heeft het voornemen om het forfaitair rendement voor overige bezittingen volgend jaar te verhogen van 5,88% naar 7,78%.
Dit zou een aanzienlijke verhoging van de belastingdruk betekenen.
De tegenbewijsregeling, die in de Wet tegenbewijsregeling box 3 is opgenomen, geeft mensen de mogelijkheid om voor eerdere jaren hun werkelijke rendement aan te tonen.
Naast direct rendement, zoals huurinkomsten, moet binnen de tegenbewijsregeling ook indirect rendement worden meegerekend, zoals waardestijgingen of -dalingen van vastgoed.
Voor woningen moet de waardestijging worden gebaseerd op de verandering van de WOZ-waarde tussen peildata.
Voor niet-woningen, zoals kantoren en winkels, telt de ontwikkeling van waarde in het economisch verkeer tussen de box 3-peildata.
Binnen de tegenbewijsregeling is bepaald dat kosten niet mogen worden afgetrokken, zoals onderhoudskosten en beheerskosten.
De enige kosten die afgetrokken mogen worden zijn de werkelijk betaalde rentelasten op schulden.
Het demissionaire kabinet-Schoof heeft een wetsvoorstel ingediend waarmee box 3 ingrijpend herzien wordt, met als doel om vanaf 2028 over te stappen op een heffing op basis van het werkelijke rendement, inclusief kostenaftrek en waarbij voor vastgoed waardestijgingen pas belast zijn bij realisatie.